WAAR IK GEBOREN BEN

 

Ik had gisteren zo’n uurtje

’s avonds tussen tien en elf

Dat ik op zoek was in mezelf

terwijl ik niet bewoog

 

Dat werd een avontuurtje

Waarin mijn gedachten gleden

Op weg naar een verleden 

Waarheen ik zelden toog

 

Toen kwam ik in een buurtje

Met een plein, een huis, en  deuren

In bijna alle kleuren

Van de regenboog

 

‘t Is echt de mooiste buurt niet die er is

Maar ‘t is wat ik het meeste mis

 

Waar ik leerde om een vuurtje

Zonder lucifers te stoken

En een vredespijp te roken

Uit een boek van Arendsoog

 

Zonder handen aan m’n stuurtje

Te hard ben blijven trappen

en naar adem lag te happen

nadat ik de bocht uit vloog

 

Voor de schrik kreeg ik een zuurtje

Van een lieve kruidenier

Daarmee deed je drie kwartier

als je d‘r niet te hard op zoog

 

‘t Is echt de mooiste buurt niet die er is

Maar ‘t is wat ik het meeste mis

 

Toen zag ik ook dat muurtje

Daar stond je met z’n vijven

Te plassen met een stijve

Anders kwam je minder hoog

 

En ook dat fietsenschuurtje

Daar mocht ik van Marije

Best even met haar vrijen

al zoende ik nog droog

 

Zo’n hemels creatuurtje

Dat iedereen begeerde

Van Hillegom tot Heerde

Tot aan Schiermonnikoog

 

‘t Is echt de mooiste buurt niet die er is

Maar ‘t is wat ik het meeste mis

 

Niet dat ik na dat uurtje

Besloot om te vertrekken

Naar die haast vergeten plekken

Wat ik even overwoog

 

Bang dat dat kleine muurtje

Verdween door zeer omstreden

geplande werkzaamheden

Van een archeoloog

 

En dat dat fietsenschuurtje

Al lang had moet wijken

Voor villa’s met praktijken

Voor arts of psycholoog

 

En als ik in dat buurtje

Daadwerkelijk ging kijken

best eens zou kunnen blijken

Dat ik mezelf bedroog

 

BALLADE VAN DE ZANGERS DIE NIET MEER BESTAAN

Van zangers die goed kunnen zingen

Overlijden er een paar

Soms doordat ze zich verhingen

Of van het Hilton af te springen

Meestal om de zoveel jaar.

En elke keer laat ik een traan

Die ik niet kan bedwingen

Om zangers die niet meer bestaan.

 

Zelf kan ik niet heel goed zingen

Niemand kent mijn repertoire

Ik hoor bij de beginnelingen

Dus om Shaffy’s  of om BB-Kingen

Jank ik graag een mère-à-boire

Als die ineens zijn heengegaan

Ik kan mijn treurnis niet verdringen

Om zangers die niet meer bestaan

 

Maar toen Prince, Cohen en  Bowie gingen

Alle drie in ’t zelfde jaar

Zat ik ineens te handenwringen

Want die bleken stervelingen

Zo verdomd kort na elkaar

Dat ik  dacht als dit zo door  blijft gaan

Kan ik straks het beste zingen

Van alle zangers die bestaan!

 

© Peter de Liefde


IK HOU VAN EEN LELIJKE STAD 

 

Ik hou van een lelijke stad 

Die de wonden van oorlog en rampen maskeert

Door nieuwe gebouwen, te recht en te plat

Maar waar ’t geloof in de toekomst door straten vibreert.

Ooit zal zij zich meten met Rome.

 

Ik hou van een treurige kroeg

Die al uren geleden was uitgeserveerd

Maar die open zal blijven  tot ’s morgens vroeg

En met trots en dedain de boete riskeert.

Er kan altijd nog iemand komen.

 

Ik hou van een ranzige wijn

Die reeds bij het zevende glas pretendeert

Niet langer te smaken naar bocht of azijn

En het tiende glas tot ambrozijn promoveert.

En helpt om niet langer te schromen.

 

Ik hou van een dappere man

Die als hij zich ’s morgens wast en scheert

Vloekt op de vrouwen en de sporen van drank

Maar het iedere dag weer opnieuw probeert.

Ooit zal er toch wel iemand komen.

 

Want ik hou van de euvele moed

Van mensen en dingen die zijn gemankeerd

Die vlekken  vertonen van tranen en bloed

Waardoor ik telkens opnieuw heb geleerd

dat ik ook best mag blijven  dromen.